07-07-06
PARLAN.DOC (11)
Alain Delmotte (1957).
Medewerker aan poëzierapport, poëziekrant, Dighter.
Organiseerde langetijd poëzieavonden in het Kortrijkse (1978/2000).
Redigeerde hettijdschrift Facture Baroque (1996/2001).
Publicaties:
Grondbezit (poëziecenttrum, Gent, 1993)
Standplaats (Pablo Neruda, Brussel, 1997)
Onderschrift (Mayapan, Kortrijk, 1997)
Disjecta Membra (Driewerf, Kortrijk, 1999)
Warhoofd (Poëziecentrum, Gent, 2002)
Lieve Wislawa – Onderschrift 2 (Groeninghe, 2003)
Colorado – Rondom Lode Laperre (met foto’s van Johan Duyck en werkenvan Lode Laperre (Stredelijke Openbare bibliotheek van Harelbeke,Harelbeke, 2004)
Al de onhebbelijkheden van de dichter (Het zinkend schip, Dendermonde,2006)
Verstekelingen – Onderschrift 3 (Groeninghe, 2006)
In voorbereiding:
Over het voordeel van de tragedie
Narratieven – Onderschrift 4
Fervent lezer van (hedendaagse) Franse poëzie. Heeft zich de voorbijejaren vooral op het (open) prozagedicht toegelegd. Ontwijkt bijgelegenheid het podium niet: poëzie is spraak.

NAME DROPPING
Quantité Négligeable Take Two
Voor Frank de Crits
Laurent Tailhade
oraal
dissonant
dissident
aan elk gedicht
aan elk gedicht gaat als een raadsel
een revolte
een ademomvattende revolte
vooraf
oraal
dissonant
dissident
William Blake wierp zijn visioen
als een barricade op
tegen het Bastille van de rede
Parny
van wie we teveel zijn vergeten
Friederich Hölderlin riep
van de hoge toren en liep
uit
op
niets
alles was
tragisch
aan Aloyuis Betrand
Heinrich Heine huiverde
en stenigde zijn geweten
tot bloedens toe
Charles Baudelaire viel moegekweld
middenin het geil het goor
van de Parijse grachten
zeer bevreemdende dichters
de romanschrijver Stendhal
de romanschrijver Gustave Flaubert
de zelfdoder Gerard De Nerval
boo! onze spoken
hebben we te danken
aan Edgar Allen Poe
het kraakbeen in de gewrichten trilde
toen Paul Verlaine zijn absinth hief
Arthur Rimbaud gaf zich als een hoer
aan het halfopen woord
Jules Laforgue
leefde hels en fel
voor hij voor zijn ziekte viel
geen goddelijk genade
trof de gedichten
van Germain Nouveau
StÈphane Mallarmé
zwoer bij het cijfer en de pijn
wie ijvert voor de heiligverklaring
van Walt Whitman die extraverte gay
De grote daad genaamd
Ubu van Alfred Jarry
Pierre Louÿs werd blind
en wij met hem
in het herfsttij van een verloren
gelopen eeuw
Karel van de Woestijne
Guillaume Apollinaire hoorde
grotere tijden wenken
op een blauwe maandag
in de rue Christine
we blijven lachen
Velemir Chlebnikov
Max Jacob wierp de dobbelsteen
van de ironie
wie hield er meer van vrouwen
dan de vrouw Gertrude Stein
absolute nicht
absolute filmmaker van de poëzie
Jean Cocteau
alle taalchoreografen
in zijn spoor
zie ze dansen
ze dansen
ze dansen
Vladimir Mayakovski
hield het voor gezien en sprong
Pierre Reverdy
wou het niet meer zien en schreef
nooit doofde het vuur
in de bebloede bladzijden
van Juljan Tuwim
Paul Van Ostaijen
dol op Schmoll
Ezra Loomis Pound vergiste zich
van renaissance en misschien
nog het meest van sterrenstelsel
Rainer Maria Rilke en zijn gezangen en zijn folteringen
Konstantinos Petrou Kavafis
waakte in het minzieke uur
Hendrik Marsman joeg tot in zijn aderen
de waarheid bloot
naaktdanser voor de spiegel
William Carlos Williams
We wilden meer van jou
Marianne Moore
fenomeen
alle erosie voor
meneer James Joyce
Georges Bataille vocht het
met zijn lijken uit
André Breton wist zich een broeder
in het genootschap van het kwade
de honger woelde de maag van Cesare Vallejo
de sublieme anarchie van Benjamin Péret
Jan Greshoff hekelde zijn laf decennium
Kenneth Patchen en Charles Henri Ford
bastaardzonen van een nieuw continent
Antonin Artaud
sloeg een wak van waanzin
in zijn al te menselijke ingewanden
Henri Michaux schreeuwde
een zwart gat in het universum
een rotsgesteente
van het soort van René Char
recht op Bertold Brecht
een foto van Terezin
met wat er overbleef
van Robert Desnos
Charles Olson
Die zittend
Een roes bedacht
over de limieten heen
maar welke limieten
Gherasim Luca
verzetsdaad en geloofsverklaring
aan de oevers
van de Loire
Francis Ponge
Paul Valet betaalde de tol
Maurice Gilliams schrapte het kaf
uit zijn jarenlange schrifturen
Jacques Prévert
beduvelde zijn tijdgenoten
Gerrit Achterberg wierp zijn hersenen
tot scherven en tot schim
jazz bracht de kanker van Boris Vian
niet tot rust
Hans Lodeizen
begon aan de bronnen van de broosheid
de nooit ontloken vleugels
van de engel Denise Levertov
de afzakkende broek van Samuel Beckett
zwarte melk
van de taal
Paul Celan
zijn drankzucht
zijn angels of desolation
Jack Kerouac
een kreet kreeg
wereldfaam
Allen Ginsberg
minimaal en toch breedvoerig
Eugène Quillevic
Hugues Charles Pernath sprak
in een beklemmende pose
zijn vernietiging uit
Charles Bukowski
stonk
uit al zijn openingen
dikzak
zuipschuit
kettingroker
James Wright
ontelbaar
ontembaar
in zijn overdaad
Lucebert
noem maar op
het houdt niet op
lukraak houdt het
niet op nooit
Laurent Tailhade
Leon Paul Fargue
Georg Trakl
Armand Robin
Frank O’Hara
Lorine Niedecker
Jean Philippe Salabreuil
Léo Ferré
Georges Perros
Bert Schierbeek
Ian Hamilton
Robert Creeley
het houdt niet op
het houdt
nooit op
ruim op!
ruim de boel!
ruim de boel
maar
op!
oraal
dissonant
dissident
en verder
verder maalt de wereld
de dag tot nacht
ongehinderd
dwaas
triviaal
de dichters
en de dichters
ze wachten
en ze wachten
wachten maar
wachten alleen
alleen en langzaam
ze wachten
alleen maar
langzaam
af
Uit: Verstekelingen / Onderschrift 3 (Uitgeverij Groeninghe Kortrijk, 2006)
ISNB 90/77723/37-4.
Te verkrijgen bij de auteur.
Alain Delmotte
Met de rubriek 'PARLAN.DOC' wil Parlando! één Vlaamse dichter een maand lang speciale aandacht schenken. Elke week wordt minstens één bijdrage van hem verwacht.
Het PARLAN.DOC-archief is hiernaast na te gaan. De vorige gast Bart Vonck schoof Alain Delmotte naar voren. Dit is zijn laatste bijdrage.
Een overzicht van alle bijdrages:
* Rauw Vlees
* Snapshot van een engel op de trein
* Verstekelingen (fragmenten uit een cyclus 1)
* Verstekelingen (fragmenten uit een cyclus 2)
* Verstekelingen (fragmenten uit een cyclus 3)
* Wat de taal doet stralen dimt
* Al de onhebbelijkheden van de dichter
* Plut't la vie
* Poëzie in het klein 1 Bijna kon alles anders geweest zijn
* Poëzie in het klein 2 Kwetsbaar als het vel van een luchtbel
* Bloemlezing uit workshops met personen met verstandelijke beperkingen (I)
* The government of the united states of poetry
* Bloemlezing uit workshops met personen met verstandelijke beperkingen (II)
* Fabel van de doorzichtigheid
* Werk in beweging
* Ode aan de zorgelozen (I)
* Ode aan de zorgelozen (II)
* De bangeriken
* Jij en je leven
* Zelfbeelden 1 Man met inhoud
* Zelfbeelden 2 Waar al dat praten op uitloopt
* Zelfbeelden 3 Waar zou je willen wonen, praatjesmaker?
* Zelfbeelden 4 Zo niemand kunnen zijn
* Namedropping Quantité Négligeable Take Two
10:02 Gepost door PARLANDO! in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) | Email dit |
Facebook |





Commentaren
Al die dichters Het is en blijft verbazend hoe, ook hier weer, van Van Ostayen weinig of niets gekend is. Hoogborst, laagborst, Schmoll zong een lied en de Paul zong er ook nog een of twee. Als we dit lijstje overlopen en schrappen waar de kern ontbreekt, blijven er ongeveer vijf goed geschetste dichters over. Nee, Celan verdient meer, Appolinaire verdient beter, van Mallarmé staat hier nu eens niets, enzovoort en zo verder? Neen, niet verder.
Gepost door: marc tiefenthal | 10-07-06
opmerkingen Geachte,
Nu pas lees ik (12/08) uw reactie van 10/07 op mijn gedicht ‘Name dropping’ dat op het web-log van parlando werd gepubliceerd. Ik respecteer oprecht uw mening. Het zette mezelf aan om over deze tekst na te denken. Hierbij (en geheel zonder boosaardigheid) enkele van mijn bedenkingen.
- Deze tekst is een eerbetoon aan dichters die een plaats vonden in mijn boekenkast. Maar het is ook meer dan dat: het is in de eerste plaats een eerbetoon aan de poëzie in mijn leven. Een leven dat waarschijnlijk zonder die poëzie geen echt leven zou zijn geweest. Straffe uitspraak, want dat weet je natuurlijk nooit. Evenwel: zoals de poëzie zich nu in mijn leven voordoet vind ik het leven en het lezen van een gedicht een blijvende exploratie. De enkele woorden die na de naam van de dichters volgen, willen de verre, speelse, ondoordachte maar doorleefde, associatief-subjectieve weerslag van een naïeve, primaire ‘lectuurervaring’ zijn. Zij bevatten soms banale verwijzingen naar de biografie, het werk of een enkel gedicht van de genoemde dichter. Mocht ik literair-wetenschappelijke waarheden over elk van die dichters verteld willen hebben, dan had ik een essay geschreven, denk ik. Of liever: vrees ik. Indien u opmerkt dat er ongeveer vijf goede schetsen in het lijstje staan dat is voor mij wellicht een compliment maar vooral het bewijs dat onze lectuurervaring bij die dichters vergelijkbaar is. Want het lag niet in mijn bedoeling om sluitende dingen over die dichters te zeggen – maar precies om alles heel open en vrij(blijvend) te laten.
- Wat Van Ostaijen betreft. Ik weet best dat die man meer heeft geschreven dan die nagelaten gedichten. Zo onnozel ben ik niet. Of u het nu wilt of niet: het zijn wel net die gedichten die mij de poort voor zijn werk hebben geopend. Het lezen van ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ (want daarover gaat het) was voor mij, toen als zestienjarige, een onvergetelijke leeservaring, dat tot op de dag van vandaag, op mijn vijftigste, is blijven naklinken. Als ik Van Ostaijen lees, voel ik me weer zestien: ik blijf de dingen in heel het werk van Van Ostaijen even fris begroeten. Ik vind niet dat ik me hiervoor moet excuseren. Ik claim dat als een recht. Lezen is een naar eigen vermogen in te vullen creatieve daad en daarom blijf ik –hoogborst, laagborst-even dol op Schmoll.
- Mag ik nu even u en mezelf op de vingers tikken? De beste manier om dichters te eren is alvast proberen hun naam juist te schrijven. In mijn tekst maak ik dezelfde fout als u: er staat ‘Van Ostayen’ en het moet ‘Van Ostaijen’ zijn. Het is ook niet ‘Appolinaire’ maar ‘Apollinaire’. Het klopt: dat is een schoolfrikkerige opmerking. Maar juist is juist en ik werp die steen dus ook maar naar mijzelf. (Ik sluit daarom niet uit dat er nog fout gespelde namen in de tekst kunnen staan.)
- Deze tekst is een oraal gegeven. Er hoort een stem, een voordracht bij (die mag natuurlijk ook innerlijk zijn). Essentieel hierbij is de snelheid waarmee hij wordt voorgelezen. Hij gaat in crescendo en eindigt in een eruptie, in een catharsis eb helemaal buiten adem. Het is binnen die ‘orale oervorm’ dat deze tekst zich moet laten ervaren. Het is een bezwerende litanie met sjamanistische allure, een profaan gebed (het eindwoord ‘af’ staat in equivalent met ‘amen’). Typografisch is mijn tekst erg smal, een bonestaak-gedicht: laat die verticaliteit staan voor de poëzie. Poëzie is wat ons rest aan utopie: de mogelijkheid tot verwoorden, tot verzinnen, tot mythe. Tot versteld staan. En alleen daarom al vind ik poëzie ook wel een beetje van een wanhoopsdaad. Als er een gemeenschappelijke trek is bij ‘al die dichters’ laat het dan deze zijn: het bewust zijn van het tragische.
- Het gedicht heet ‘Name dropping’ en dat is dan ook wat er in dit gedicht is gebeurd: er vallen namen, als druppels op een hete plaat. Het gaat wel degelijk om de namen als naam en de hoeveelheid aan namen (er staan er 80 in). Ik reken op een effect van ‘satiatie’ bij de lezer en/of aanhoorder. Zoiets als:’Jaja, al die dichters en altijd meer en meer: nee hou nu maar op’. Wat er bij die namen staat is dan ook niet de kern. Heel vaak ga ik overigens niet verder dan een niets beduidend knittelversje of binnenrijmpje. Namen als woorden, woorden als namen. In een ander gedicht – Al de onhebbelijkheden van de dichter - schrijf ik: ‘Rechtovereind blijven in het geloof dat de namen er eerst waren, dan pas de dingen – daarom: de dingen aanroepen om naar hun naam te vragen’. Dit is nu net wat ik in ‘Name dropping’ betracht. De muziek, de magie van de namen, de kracht van het benoemen, het aanroepen. Nee, - en u weet het best – ik heb niets uitgevonden, dat heb ik allemaal geleerd van de dichters die in mijn boekenkast staan.
- Tot slot nog iets over het ontstaan van dit gedicht. De eerste versie had als titel ‘Quantité Négligeable’. Ik schreef die begin jaren tachtig. Twintig jaar poëzielezen wordt er compact in weergegeven. Het is dus ook zowat het levensverhaal van een lezer. En wie weet, volgt er binnen nog eens twintig jaar een derde versie. Toen ik de eerste versie schreef, kende ik sommige dichters alleen maar van één enkel gedichtje. Bijvoorbeeld: Henri Michaux. Sindsdien heb ik van Michaux wel wat meer gelezen. Hij is één van mijn lievelingsauteurs geworden. Wat in dit gedicht bij Michaux staat is inderdaad weinig relevant wat zijn werk betreft (het vertelt misschien wel iets over zijn temperament!?). Maar toen ik deze woorden schreef waren ze op de een af andere manier hoe dan ook wel relevant voor mij. Daarom heb ik ze laten staan: ze spreken niet de waarheid over Michaux maar ze spreken wel de waarheid over wat ik toen verzon bij Michaux. Zo ook wat betreft Apollinaire en Mallarmé. Bij Apollinaire staan er verwijzigingen naar La Jolie Rousse en Lundi rue Christine. Omdat ik dat gewoon twee mooie gedichten vond. Bij Mallarmé verwijst ‘cijfer’ naar de dobbelsteen van ‘Un coup de dé’ – een gedicht waarvan ik toen niets begreep, maar me wel verrast had: ik vond het fascinerend en raadselachtig. Ik kan u verzekeren: ik heb sindsdien veel essays gelezen over Apollinaire en Mallarmé. Ik heb mij in hun werk verdiept. En Mallarmé blijft me met zijn raadselachtigheid verrassen. Maar die ‘items’ heb ik laten staan, omdat ze – ik herhaal het – toen voor mij ‘een waarheid’ hadden. U mag daar als lezer absoluut anders over denken.
Met deze opmerkingen probeerde ik u geenszins te overtuigen van de kwaliteit van dit gedicht. On ne peut pas aimer contre. Ik vond alleen dat u deze tekst afkeurde op basis van verkeerde gronden. Zelf vind ik deze tekst goed genoeg om er de verdediging voor op te nemen. Het kwam in mijn voordeel uit: het bood me de gelegenheid om over het gedicht na te denken en dus over poëzie. Daarom dank ik u voor uw reactie.
Groeten
Gepost door: Alain Delmotte | 15-08-06
Post een commentaar