26-06-06

PARLAN.DOC (11)

WERK IN BEWEGING


De komende dagen stel ik u teksten voor die in beweging zijn. Teksten die steeds langer uitvallen of steeds korter worden. En een recent opgestarte ‘partituur’. Work in progress, dus, maar ik hou niet zo van die term. Deze teksten zijn niet af. Het zijn stadia, stills. Prozagedichten in notitievorm. Ik verklaar me nader.


1.


Het prozagedicht. In een (zeldzaam) interview liet de Franse dichter Paul Valet (1) zich ooit eens uit over het verschil tussen ‘bestaan’ en ‘leven’. Exister et vivre. Bestaan zag hij als een horizontale lijn, leven als een verticale lijn. Een kruisvorm die in de doorsnee conflictueus is en – volgens hem - het eigenlijke domein van het poëticale uitmaakt. Of dit een origineel idee van Valet is, weet ik niet. Maar zoals hij het verwoordde, vond ik het voor mezelf in ieder geval blijvend bruikbaar.


Nu zou ik kunnen beweren dat ik het bestaan inderdaad wel eens als een rotstreek, een modderpoel ervaar. En het leven daarentegen als iets hemels. De poëzie – de laagste trap van de extase – zou dan iets als een eerste stap naar het hemelse zijn, het ware leven. Dit zou evenwel veel te makkelijk klinken om waar te zijn.


Uiteraard is het potentieel hemelse van het leven aan het bestaan te danken. Bestaan en leven hebben elkaar hard nodig – al is hun verhouding problematisch. Het bestaan roept op tot verantwoordelijkheden, het maken van keuzes, ethiek. Zou het leven dan zoiets zijn als een vlucht uit het bestaan? Een veel te romantische gedachte! En dat hemelse, is dat niet meer dan een sublimering, een zelfopgefokte illusie? Die achteraf maar een zootje aan onwezenlijke verlangens blijkt te zijn? Een tijdbom die vroeg of laat ontsporingen en aberraties kan veroorzaken, als je niet uit de doppen kijkt? Zo zie ik het: in de doorsnee is het poëticale bij uitstek het duivelse middel om de aandacht scherp te houden. Vanuit dit standpunt schreef Paul Valet.


Tussen negativisme en sublimatie. Tussen het ontnuchterende en het beroerende. Tussen de nuance en het absolute. Poëzie is wat ons aan de wereld herinnert; poëzie inventariseert wat ons mank doet lopen. Schots en scheef doet kijken. (Rechtop lopen is iets wat we onszelf wijsmaken, vind ik.) Elke dichter kient hiervoor zijn retorische strategie maar uit.


Wat mij betreft, komt het er op neer dat ik in mijn teksten dat horizontale en verticale (dat ik hier nu even niet tot in details wil definiëren) evenveel (dialectische) ademruimte wil geven. Formeel (maar evenzeer organisch) leek me het prozagedicht – na jaren aftasten - daaraan het best te beantwoorden.


De oerstructuur van een prozagedicht is nl. de thyrsus, de druivenrank. Een vreemde vaststelling maar verscheidene auteurs hebben het bevestigd. Het fragmentarische karakter van het prozagedicht laat confrontatie en schommelingen tussen beide polen (laten we ze nu eventjes ‘negatief’ en ‘positief’ noemen) eigenlijk toe. Al lijkt het in zijn topografie niet zo: een prozagedicht is een tekst in een soort kruisvorm. Vol breuklijnen en hoekigheid: het horizontale en het verticale schermen het met elkaar uit. In de kern is dat de bestaansreden voor het prozagedicht: dat dit conflict onbetwist blijft. Taal en mens klinken er, tekst na tekst, dissonant in door. En het dissonante is het dissidente.


2.


De notitie. In zijn mooie inleiding bij het eerste deel van zijn opus magnum Papier Collés, schrijft Georges Perros (2) zo goed als een soort poëtica van de notitie. Ik parafraseer.


De notitie is wat het discours ontgaat. Ze is het verticale moment van het discours. Van waar, hoe, waarom? Daar waar lichaam en taal elkaar kruisen en elkaar raken, reikt de notitie ons iets transparant aan. Het vult iets op, in en aan. Le trou? Petit objet a? In die termen omschrijft Perros het niet. Lacan zat hem te nauw.


De notitie is wat het ‘nu’ van zich laat lezen. Ze is losbandig en heeft niet de rigiditeit van het maxime of de stelligheid van het aforisme. Niet helemaal onschuldig. Hier en daar opvallend naïef en in die naïviteit valt ze wel eens brutaal uit.


De notitie blijft in gebreke. Ik ervaar dat niet als een bezwaar maar als een verdienste. De notitie is altijd het begin van iets. Maar of ze een eindbestemming heeft? Nochtans ervaar ik haar niet als stuurloos: de notitie gaat wel degelijk een richting uit. Welke? Een notitie wil iets kwijt. Meer niet. Beperkt tot de woorden waarmee ze is geschreven, kan ze niets meer aan dan iets vaag. Hoe moeilijk is het niet om het begin van iets te zijn.


De notitie is het lef waarmee je taal in jou laat binnenwaaien: noteer het, haast je of je bent het kwijt. De notitie is een aanloop. Ik beoefen een schriftuur die in een aanloop blijft steken. De notitie rondt nooit iets af. Underdog onder de literaire genres jaagt ze puristen op stang. Ik bewonder het slordige, het zijdelingse, het rebelse erin.


3.


Werk in beweging. De late lectuur van Francis Ponge (3) is voor mij doorslaggevend geweest. Het was een bevrijdende ervaring: het bood me een vluchtweg uit de impasse waar ik op creatief vlak in was geraakt. Ik had een paar bundels erg gereduceerde wit-poëzie geschreven en dat was me werkelijk te neurotisch, te obsessief geworden. Het wit – dat ik nu nog altijd aanwezig laat - is thans voor mij niet meer dan een stijlmiddel.


Eerste gegeven. Er is de manier waarop Ponge constant het materiële aspect van het schrijven ademruimte geeft. Zijn methodiek hierbij. Zijn retoriek als (post-revolutionaire) ethiek. Zijn pleidooi voor idiosyncrasie. Zijn ludieke inventariseringen van die retorische middelen.


Tweede gegeven: het gedicht is iets in wording. Het gedicht is wat in beweging is. De klemtoon ligt op het proces, vooral op de dynamiek van het proces. Poëzie is wat de taal laat zien en horen op een onbewaakt ogenblik. Poëzie is de taal op heterdaad kunnen betrappen. Het proces is de ontmoetingsplaats van het creatieve en het reflectieve. Het gedicht is maar het middel, de machine, de 'fabriek' die het proces op gang zit. Almaar nieuwe aanlopen, eindeloze variaties, wisselwerkingen, ontkoppelingen, voortdurende nuanceringen. De entropie van het gedicht. Het gedicht verkruimelt, dijt uit in fragmenten, uitweidingen, zijwegen, controverses, nieuwe probleemstellingen. Alles op stelten, alles in scherven.


Derde gegeven: het hedonisme van Ponge. Zijn lichtvoetigheid. De liefde voor de etymologie van het woord. Zijn aardsheid: zijn grote aandacht voor de dingen. Zijn baltsen rond en om de dingen. Le Don Juan des choses noemde Perros hem. In al zijn vernieuwingen is er in feite niets zo simpel en zo aangenaam als het lezen van Ponge.


(1) Paul Valet (1905-1987). Een dichter die bij leven slechts in kleine kring bekend was. Publiceerde bundels bij Guy Levis Mano, bij wie ook René Char en Henri Michaux publiceerden. Hij was bevriend met Cioran in wiens lijn we zijn poëzie kunnen situeren. Hij doorzwom op korte tijd nogal wat ideologische en filosofische wateren (van marxisme tot antroposofie, van anarchisme tot negatieve theologie). Was een belangrijke verzetsleider in de vuurlinie tijdens Wereldoorlog II. Hij weigerde hiervoor elke onderscheiding. Zijn werk kenmerkt zich door een strijdbaar negativisme. Zijn poëzie is ronduit hallucinant, traumatisch van aard, hard en prangend. Liet veel ongepubliceerd werk achter (ongeveer een zestiental dichtbundels) dat mondjesmaat wordt prijsgegeven. Langzame postume erkenning. In Vertiges (1988) en Paroxysmes (1988) staan in al hun eigenzinnigheid prachtige prozastukken.


(2) Georges Perros (1923-1978). Bij leven gaf Perros twee dichtbundels uit en twee delen van zijn Papiers Collés en een handvol kleine, thans bibliofiele uitgaven. is een verzameling notities, essays, dagboekfragmenten, lectuurverslagen volledig in de traditie van de moralisten. Zijn schriftuur is van een bedrieglijk parlando. Het lijkt zwierig, ongedwongen, vrolijk, vertederend. Maar in de kern is het bitsig, in verweer, elliptisch, onomfloerst. In die schriftuur was hij consequent: zijn brieven naar zijn vrienden zijn net even relevant als zijn boeken en maken daarom integraal deel uit van zijn oeuvre. Tot die vrienden kunnen we rekenen: de auteurs Jean Paulhan, Roland Barthes, Michel Butor, Bernard Noël, Lorand Gaspard, Pierre Klossowski (het is wachten op de publicatie van Perros’ correspondentie met die man!) ...


(3) Francis Ponge (1899 – 1988) was een bewonderaar van Mallarmé. Hij verzekerde de continuïteit van Mallarmé's poëticale traditie in de twintigste eeuw. Ponge was een blauwe-maandag surrealist. Dan een tijdlang syndicalist en weerstander op het juiste moment. Zijn werk was te lezen in het eerste nummer van Sartre’s tijdschrift en een flink decennium later in het eerste nummer Tel Quel van Ponge's persoonlijke en controversiële poulain Philippe Sollers. Tel Quel zorgde voor zijn definitieve en late doorbraak. Ponge is de ontwerper van een heel eigen poëticale retoriek (zoals hij die grotendeels uitwerkte in My creative method in Méthodes). Hij combineerde het reflectieve en het scheppende, maakte het denken tot een expressieve schepping, tot het verhaal van die schepping (het fameuze work in progress). Zijn themata (de hem omgevende dingen) zijn vaak allegorisch. Zijn debuut Le parti pris des choses, Namens de dingen, is literair-historisch van groot belang, maar maskeert te veel de grondige evolutie die Ponge vanaf dat ogenblik zal ondergaan. Andere stapstenen uit dit merkwaardig oeuvre: La rage de l'expression, Pièces, Le savon, Comment une figue de paroles et pourquoi en zijn literaire afscheidsrede, het aangrijpende La table.


Alain Delmotte


Met de rubriek 'PARLAN.DOC' wil Parlando! één Vlaamse dichter een maand lang speciale aandacht schenken. Elke week wordt minstens één bijdrage van hem verwacht.
Het PARLAN.DOC-archief is hiernaast na te gaan. De vorige gast Bart Vonck schoof Alain Delmotte naar voren. Dit is zijn derde week.

13:08 Gepost door PARLANDO! | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.