20-06-06

PARLAN.DOC (11)

POËZIE IN HET KLEIN 1


BIJNA KON ALLES ANDER GEWEEST ZIJN


De voortgang van Achilles Surinx


Enkele weken geleden verscheen bij Alpha press een nieuwe bundel van Achilles Surinx. Bij de voorstelling van de bundel sprak ik volgende gelegenheidstekst uit:


‘Vandaag wordt de zesde bundel van Achilles Surinx voorgesteld. Ik stond daar eigenlijk wel wat van op te kijken. De zesde al? Wat een voortgang! En ook: wat een vooruitgang. Voortgang en vooruitgang vallen af te lezen uit de ontwikkeling van de dichter. In scheervlucht kan je vaststellen hoe de bundels stuk voor stuk in elkaar overgaan: wat hun continuïteit bewijst. Op een milde en toch wel lichtjes aristocratische manier werden ze allemaal in de tijd spelmatig (maar in het speelse raken ze nooit verstrikt) met koninklijk geduld samengesteld. Telkens verwoordden ze ongeveer dezelfde ‘afbeeldingen’: de quasi onverzoenlijke dualiteit tussen het vredelievende en het bedrog, de overvloed en het onbehagen. ‘De voortgang’ is een bundel die voortkabbelt op de verworvenheden van de vorige bundels.


In de bundel wordt het thematische (waarover straks uitgebreid meer) en stilistische palet verruimd. Op vallend zijn de citaten en ready mades die hier en daar in de gedichten worden verwerkt. Bijvoorbeeld het gedicht ‘oud papier‘: een collage bestaande uit verschillende versregels geplukt uit allerlei gedichten. Een hommage aan een vroegere lectuur en bewonderde dichters.


De terugkerende karakterelementen in deze en eerdere, bundelingen zijn ongetwijfeld de eenvoud en de discretie. Wat Achilles schrijft is ene poëzie in het klein. En hiermee spreek ik meteen mijn respect voor Achilles uit: hij is bij uitstek een anoniem dichter. Hij houdt zich ver van literaire rellen, weblogs, geneuzel, ver van koningsblauwe spektakels. Met zijn eenvoud en discretie hoort hij in de schaduw thuis. Een dichter in eigen beheer. De eenvoud is met de jaren gelaagder geworden. Het ongerepte, de neiging tot het naïeve (dat ik als een gave beschouw), is gebleven. Herkenbaar gebleven. Het meest uitgepuurde, het meest muzikale gedicht uit de bundel klinkt als volgt:


ACHTER DE WOLKEN


Achter de wolken
boven de wolken
daar is:
ik weet niet wat daar is.


Als jij daar woonde,
zou ik je zoeken,
zou ik je vinden.
Je wandelde de melkweg


langs en praatte
met de verste verten.
Je raakte ademloos
en zweeg verbluft.


Voorbij de laatste ster
liep je verloren.
Niemand kwam je tegen.
Je verdween.


Wat mij opviel bij de titel ‘De voortgang’ is dat het lidwoord ‘de’ wordt gecursiveerd. Houdt deze cursivering een stelling in? Want zomaar een voortgang (het woord vind je overigens in de bundel niet terug) kan het met deze cursivering niet zijn. De inzet moet iets groots en niet iets vrijblijvend zijn. Is het het bestaan, de voortgang van het bestaan? De levensloop? In het eerste gedicht uit de bundel ‘De afvaart’ wordt iets duidelijk gesteld. Een ‘overvaart’ wordt hier in kaart gebracht. De overvaart waarvan het verlangen de motor, de stuwkracht vormt. Waar dat verlangen de dichter naar toebrengt blijft onzeker, wel beloftevol:


De overkant zou mij en jou een rijker
leven gunnen. Zou ons voorgoed bevrijden
uit achterdocht en engheid. maar wat de wal
ons brengen zou, konden we vooraf niet weten.


Het beeld van de dichter dat hiermee op scherp wordt gesteld - zoals dat gebeurt in het laatste gedicht uit de bundel - is deze van een reiziger. De voortgang is de weg die werd, wordt afgelegd. De bestemming blijft een raadsel en wat het verlangen drijft is de hoop.


Achter hem de dwang van een gemeenschap
voor hem de open stad waarin hij
verliefd kan worden op het gouden licht.


Zoals eerder beweerd, betekent de voortgang hoe dan ook een vooruitgang. Wat op zijn beurt dan weer een voortdurend in balans brengen, een inventariseren, een wikken en wegen en, ja, een stilstand impliceert. Geen vooruitgang zonder vooreerst wat stilstand. De voortgang in de deze bundel is daarom dan een ook heel vaak, volgens een bizarre dialectische wetmatigheid, een terugblik. Een soms met spijt doordrenkte weemoedige maar nooit rancuneuze terugblik. De boekhouding wordt gemaakt tussen debet en krediet, tussen voor- en nadeel, tussen winst en verlies. Er wordt een stand van zaken opgemaakt. Niks meer, niks minder. Aan een eindafrekening zijn we nog niet toe. Trouwens verlies of winst: wat maakt het uit?


Soms
is het laatste verlies
onverwachte winst.


Nogal wat gedichten in deze bundel spelen zich af in een autobiografische sfeer en verwijzen meer dan eens naar het tijdsbeeld van de jaren ‘50 en ‘60 van de twintigste eeuw. Om het een en ander in een context te plaatsen nam Achilles een notenapparaat in zijn bundel op. In deze inleiding zal ik er niet naar refereren. Dat ontdekt u als lezer zelf wel. Het enige wat ik erover kwijt wil, is het feit dat in deze bundel de beeldcultuur een bijzondere aandacht krijgt. Cinema en televisie worden gebruikt als iconen waarin de dichter zijn nostalgie vrijuit in kan gaan projecteren. Wat eigenlijk wel een verrassende (onverwachte postmodernistische) verrijking van zijn thematisch materiaal tot gevolg heeft. Over het biografische leg ik mezelf het zwijgen op. Ik beweer niet dat het biografische niet verhelderend kan werken bij een beter begrip van de gedichten maar ik betwijfel of het wezenlijk is om de gedichten in hun geheel te begrijpen. Ik benader daarom teksten liefst van binnenin dan van buitenuit. In deze inleiding wil ik het daarom vooral hebben over de manier waarop Achilles zijn bundel heeft geconcipieerd, gestructureerd en vertaald.


De bundel telt twee evenredig opgebouwde cycli (elk bestaande uit 22 gedichten.) ‘Inbraak’ en ‘Uitbraak’. In het wit van deze teksten laat zich een derde cyclus vermoeden die je dan ‘Afbraak’ zou kunnen noemen. Deze ongeschreven, ongenoemde cyclus is eigenlijk de rode draad in de bundel: het verdwijnen, het gebroken-zijn, het gemis, de dood en het besef dat ‘bijna kon alles anders zijn geweest’. Deze thematiek lijkt me vooral in de eerste cyclus benadrukt. In de tweede cyclus komt dan meer ‘de levenswil’ op de voorgrond: het kiezen en gekozen hebben, het kunnen, de vitale potenties van het verlangen, de kansen van het nu:


Hij zou de kunst van het kunnen, willen
doen zingen in de mooiste van alle kerken.


Of zoals in de laatste regels van het mooie gedicht ‘De kracht van zuiver water’ ‘de kans van het nu’ wordt beschreven:


Beter één nacht van het zuiverste water
dan verzinken in de diepste gronden.



Maar ook in deze cyclus blijft de afbraak onuitgesproken loeren.


De twee cycli staan niet echt tegenover elkaar. ‘inbraak’ (de kwetsuur?), en ‘uitbraak’ (het opgroeien?) vloeien wel degelijk in en uit elkaar.


In grote lijnen verwoordt - zoals vaak bij Achilles - deze verzameling gedichten de tweespalt tussen het sublieme en de existentiële verwikkelingen, het alles op scherp zettend absolute en de onontbeerlijke nuancering. De wil en de belemmering.


In het zoeken naar het sublieme viel mij meer dan eens - en dat in het gehele werk van het Achilles - de gang naar het religieuze op. Dit religieuze lees ik uit een drietal elementen af:


- Een: het steeds terugkerende verlangen naar open zee, open breedte, open lucht, panoramisch licht. Kortom: de veelheid, de roes, de uitbraak van een reusachtige al (zoals ik dat maar zal noemen.) In de bundel staan daar verschillende voorbeelden van, leest u maar na. Het werkt zelfs oogverblindend als je daarop gaat letten. Meestal betreft het fragmentair aangegeven flitsmomenten, glimpjes:


‘Even schoof de hemel open
en schitteringen omringden ons’


‘verlossend vrijen, in veelvoud juichen’


‘dat de kloosterpoort wagenwijd opengaat
en de heilige bomen ophouden te kwijnen’


‘Ik hield de bleke zon boven de doopvont
en draaide mij niet meer om.’


- Twee: een nood aan rituelen, aan inwijdingen. Enkele gedichten hebben een ‘ontgroening’ als thema, het ‘overgaan’. Het idee van beproeving en loutering. Sport en spel zijn daar vormgevingen van. Fietsen, voetballen, kinderspelen (het ridderspel, de zeeslag), de queeste van de kinderkruistocht en het schaakspel. Dat schaken brengt ons dan naar de gaskamer van Chessman toe: is een terechtstelling niet het ultieme ritueel, zij het van de lugubere soort? Is het schrijven van poÎzie, het raadselachtig noemen van namen zelf niet een ritueel? Is het ritueel niet het wezenlijk kenmerk van poëzie. (Mijn antwoord is alvast een volmondig en heilig ‘Ja’.)


- Drie: hierbij aansluitend is er de drang tot sacraliseren. Tot het heilig maken van ervaringen d.w.z. die ervaringen tot volmaaktheid uitroepen, in de overtuiging dat ze ‘rein’ zijn. Dat sacraliseren staat niet meteen in verband met het transcendente. De dichter houdt het concreet: zo sacraliseert hij het sensuele (een aantal gedichten hebben onderhuids een sterk erotisch gehalte)


Daartussen jouw heilig lichaam dat wachtte
en verwachtte. Het wonder dat ons verslond,
open spatte in duizelingwekkende genoegens
en hevig smaakte naar gewonnen vruchten.


‘Les nourritures terrestres’. Achilles sacraliseert in eerste instantie het leven, de piekmomenten binnen de menselijke voortgang. Momenten waarbinnen ‘geen buiten en geen binnen, geen boven, geen onder’ zijn. Het in gaat uit, het uit gaat in. Om de woorden van zuster Beatrijs van Nazareth te gebruiken:
momenten ‘sonder waeromme’. Vita beata.


Om dat religieuze vorm te geven maakt Achilles gebruikt van de sjabloon van de Christelijke geloofsbeleving. Mij gaat er het niet om hoe de mens Achilles Surinx tegenover levensbeschouwelijke zaken staat, wel boeit mij als poëzielezer de structuren die hij aanbrengt, prijs geeft. En het humane dat aan die structureren vooraf gaat en/of gelinkt wordt. Lyriek is het menselijk gezicht van de taal. Datgene nl. wat verder gaat dan louter het particuliere enerzijds, het dogmatische anderzijds. Achilles is niet vrij van enig scepticisme: Hij schrijft: ‘ik ben niet zeker’ Hij is dus een authentieke gelovige: een danser op de slappe koord tussen twijfel en zekerheid. Hij is ook kritisch. Geen misverstanden dus: onze Achilles is geen kwezel. Hij blijft een dichter. Zo ligt hij duidelijk in de clinch met begrippen als ‘zonde’ en het ‘zondigen’ - of tenminste hij relativeert het. Maar het begrip ‘geloven’ blijft hij, zonder kapsones, loyaal - wat hoe dan ook op verschillende fronten een kwetsbare houding is.


Indien ik hierbij stil sta dan heeft dit zijn redenen. In de bundel staan een paar gedichten die heel expliciet naar de Christelijke devotie verwijzen. Het doet raar aan om anno 2006 geconfronteerd te worden met een gedicht dat als titel heeft ‘Treurzang voor het kindje Jezus van Praag’. Of om in het gedicht ‘Halle’ de bedevaartplaats rond een Zwarte Madonna geÎvoceerd te zien. En dat zonder de minste ironie. Zonder de minste reviaanse ironie. Het zijn evenwel maar elementen uit het nostalgische referentiekader van waaruit Achilles deze gedichten schreef. Hij heeft dergelijke zaken gewoonweg een plaats in de tijd, een plaats in zijn taal.


‘De eeuwige verhalen doorgeven met
nu en dan een dikke korrel zout’


Naast het religieuze aanvoelen steekt de bundel evenwel vol toespelingen naar wat ik daarnet ‘existentiële verwikkelingen’ noemde. Deze bundel gaat over het vallen en opstaan die een individu dag na dag, in zijn voorgang ervaart. Het duel met de werkelijkheid dat elk van ons iets tragisch bezorgt. En onze nood aan troost om deze tragiek te overleven. Wat is troost? Wat biedt troost? Iets erg dubbelzinnig. Dubbelzinnig omdat het zowel troost biedt, maar ook weer aanleiding kan geven tot nieuwe verwikkelingen. Iets heel zaligs maar dat zich ook wel tot iets heel zuurs kan ontwikkelen. Maar dat trekken we ons niet aan want het zalige primeert: wij investeren daarvoor te graag en te veel in een nooit te verzadigen ‘nu’. Niet in het ‘later’. Een mens vindt troost in wat hem vertedert. U hoort me al aankomen: ik heb het over de liefde. Ik heb het over de vrouw, het vrouwelijke. In deze bundel heeft Achilles voor het vrouwelijke, van al zijn vrouwen de namen prijs.


‘Beter één nacht van het zuiverste water
dan verzinken in de diepste gronden’


Liever de zekerheden van Eros, dan de onzekerheden van Thanatos. Ook dit is gelovig zijn.


De dichter voelt zich pas integraal aanwezig in de liefde. De dichter zoekt in de vrouw wat hem aanwezig maakt. De ontmoeting. Het wonder. En dat iedere ochtend. Het is zijn manier om zich te verzetten tegen de tirannieke voortgang van de tijd. (Het voordeel van de tijd is dat die tijd ons een bestaan verleent maar het gaat ons wel ten koste van het leven.) Hoe anders we ook zouden willen: wij kunnen niet, wij kunnen niet zonder honger. Zonder de illusies van een hoger. Troost is, ik herhaal het, de drempel naar een nieuwe tragiek. Zo blijkt, zo klinkt het vaak in deze gedichten door.


Voor alle duidelijkheid wijs ik erop dat dit religieuze en existentiële eigenlijk niet van elkaar zijn los te koppelen. Ze gaan door elkaar heen. De gedichten zijn en hebben wel degelijk een eenheid.


Genoeg gepraat. Het woord is nu aan de lezer. ‘De voortgang’ is een bundel met vele ingangswegen. Zo hoort dat in poëzie. Zo hoort dat in de poëzie van Achilles Surinx. Ik wens u veel leesgenot en Achilles wens ik ver der nog veel schrijfgenot en voortgang in het schrijfgenot.’


De Voortgang, Achilles M. Surinx, Aleph press, Wevelgem 2006.
Te verkrijgen bij de auteur: Weverstraat 33a 8500 Kortrijk


Alain Delmotte


Met de rubriek 'PARLAN.DOC' wil Parlando! één Vlaamse dichter een maand lang speciale aandacht schenken. Elke week wordt minstens één bijdrage van hem verwacht.
Het PARLAN.DOC-archief is hiernaast na te gaan. De vorige gast Bart Vonck schoof Alain Delmotte naar voren. Dit is zijn tweede week.

10:06 Gepost door PARLANDO! | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.