19-06-06

PARLAN.DOC (11)

PLUT‘T LA VIE


Statement over eigen werk op vraag van Fernand Ronsmans


1.


Ik schrijf omdat ik vind dat dit zo hoort. In mijn leven.


Als ik niet zou schrijven wat zou me dan overblijven? Wat zou er van mij overblijven in die tussenruimte tussen opstaan en slapengaan? Ik zou wellicht onvoorwaardelijk en terminaal worden opgeslorpt en opgevorderd, door belgerinkel en ander conditioneringen worden overwoekerd. Ik zou de tijd zijn ding laten doen. De tijd. Totaal gelaten. In de tussenruimte tussen opstaan en slapengaan zou ik gewoon ten prooi vallen aan de lopende zaken van de vervreemding. Mijn leven zou zonder tegenstroom zijn. Zonder stem.


Ik schrijf tegen de vervreemding. Omdat vervreemding niet hoort. In mijn leven. (Maar schrijven helpt niet – dat weet iedereen die schrijft: die vervreemdingen en conditioneringen zijn er en blijven er. Onvoorwaardelijk en terminaal, sterker dan jezelf. Maar door het feit dat ik schrijf, weet ik dat nu tenminste. Hoop moet je halen waar het zit.)


Nee, ik neem al lang niet meer het woord ‘verwondering’ in de mond. Daarvoor sneed de existentieële wonde te diep. Ik ben best al tevreden met het mogelijke. Ik schrijf om bij het mogelijke te horen. Ik wil mijn leven voor mogelijk houden. Omdat ik vind dat dit zo hoort.


2.


Het procesmatige hou ik bij het schrijven scherp in het oog. Over een bevriend schilder schreef ik onlangs het volgende (en het verklapt alles over mijn eigen werkwijze):


‘In oorsprong bij het maken van een kunstwerk (een wit blad, een doek, een partituur) staat altijd een stilzwijgende dialoog voorop. Men zegt, men verwijt kunst al te graag dat het alleenspraak is. Een autistische monoliet zou het kunstwerk zijn. Nee, kunst is samenspraak. Een in het geheim gehouden, een zolang mogelijk geheimgehouden samenspraak - die zelfs voortduurt als het kunstwerk in al zijn raadsels af lijkt.


Een op zowel het collectieve en als op het particuliere geënte samenspraak. Hier spreek ik louter vanuit de focus van het particuliere. Particulier dus: er is de wil tot expressie bij de maker en de eigenheid, het eigengereide van de gehanteerde materie. Zeg maar de weerbarstigheid van maker en materie. Wat een koppel. Het is geven en nemen. Vaak zijn er ruzies. Zijn er scheidingen. Of straffen. Tantalische lijfstraffen. Werken blijven in de hoek en in de kou staan. De maker kijkt er niet meer naar om. Of, wat vaker voorkomt, het te maken werk zwijgt. Gedraagt zich als een cynische sfinx. Daarom ervaart men (buiten hun marktwaarde om) kunstenaars niet als productief: hun werkwijze is economisch gesproken niet efficiënt genoeg, niet weerbaar genoeg.


Zakenmensen en kunstenaars verschillen in de wijze waarmee ze met tijd omgaan, waarmee ze in de tijd bestaan. Tijd is voor de ene flagrante tijdsverspilling, want het kan nooit snel genoeg. Voor de andere moet tijd gewonnen tijd zijn. Gewonnen tijd op het zijn. De zakenman verliest zijn tijd door almaar tijd te spenderen aan de manier waarop hij zijn tijd zal indelen, de kunstenaar wil niet anders dan het juiste middel vinden om zijn tijd integraal en optimaal mee te beleven. Hij zoekt met andere woorden naar een context voor zijn tijd. De zakenman wil daarentegen zijn tijd buiten elke context houden: tijd is voor hem maar tijd. Het verschil tussen beiden is het verschil tussen hebben en zijn. Tussen doen en laten.


Het doen van de kunstenaar is vaak een doem: hij wacht. Hij wacht af. Hij wacht op wat? Op het juiste moment! Op de juiste context. Hij wacht op wat ik hier nu even gemakshalve ‘het onberekenbare’ noem. Het onberekenbare is een gesel voor de zakenman. Maar een zegen voor de kunstenaar.


Maar wat bedoel ik met het onberekenbare?


Is dat het toeval? Zo, ja, wat bedoel ik met het toeval? Is dat het onverwachte? Je zou geneigd zijn om ja te zeggen. Maar dat is het niet. De ervaring heeft het me geleerd: het onverwachte, dat is wachten op Godot. Dat is lang wachten. Dat is wachten op niets. Ik behoor niet tot een generatie die niet meer wacht op niets. Ik wacht op iets, op dat wat is. Ik wacht op het mogelijke. Het toeval, het onberekenbare toeval maakt vooral dingen mogelijk. U moet daar eens op letten in uw dagelijks leven: het zal u werkelijk een context verlenen – als u er tenminste de tijd voor wil nemen.


Maar wat bedoel ik met het mogelijke?


Al is het onberekenbaar: het mogelijke is dat wat zich zal voltrekken. Wat zich zal voltrekken in het kunstwerk. Wat wij hier in deze tentoonstelling zien is wat zich heeft voltrokken. Maar op die manier mag u er evenwel niet naar kijken. U moet er naar kijken alsof er zich iets in die werken voltrekt. U mag zich niet blindstaren op het oppervlak, u moet proberen helder te kijken op wat zich in de diepte laat zien. Een kunstwerk is een ontologie. Een wijze van zijn. Van zien. Van zich voltrekken.’


3.


Ik schrijf om geen tijd te verliezen - al kost me dat schrijven uitgerekend veel tijd. Ik schrijf niet om mezelf te verliezen. Nee, ik betracht een zo groot 'mogelijke' luciditeit, zij het langs de omweg van de roes, d.w.z. de zinnelijkheid. De laagste trap van de extase.


Ik probeer poëzie te schrijven. Al weet ik niet voor wat dat moet staan, poëzie. Ik heb alleen maar een vaag vermoeden van wat dat zou kunnen zijn. Op dat vermoeden speculeer ik als ik schrijf. En wat poëzie nu echt is, daar ben ik gerust in. Als ik schrijf weet ik het wel en als ik ophou met schrijven weet ik het niet meer.


Nuance: ik schrijf geen gedichten, ik schrijf teksten waarvan ik hoop dat ze poëzie zijn. Ik maak deel uit van de tradities van de teksten die ik lees. Wat ik schrijf maakt deel uit van wat ik lees. Voor ik schreef, heb ik gelezen. Wat ik schrijf, heb ik te danken aan wat ik gelezen heb. Lezen is schrijven.


Wat ik schrijf is een onderschrift bij wat ik eerder las en schreef. Wat ik schrijf heb ik al geschreven, alleen niet zo woordelijk en niet op papier. Ergens anders las ik al wat ik wil schrijven. Alleen vond ik er de juiste woorden nog niet voor. Al schrijvend probeer ik de woorden te vinden voor wat ik schrijf en lees.


En met al dat lezen en schrijven kom ik weer mijn lichaam tegen. Mijn lichaam is mijn waarde. Mijn vaste waarde aan kwetsbaarheid. Kwetsbaarheid is een verdienste. Tenminste voor het soort teksten dat ik wil schrijven.


Als ik lees, als ik schrijf ben ik een lichaam in de taal. Dat is voor mij poëzie. Mijn woorden hebben een lichaam in de taal.


Ik schrijf in de hoop om daar iets mee te voltooien in mijn leven: mijn leven in de eerste plaats.


(Ik onderstreep het belang van het orale. De ademhaling is de plaats van het lichaam in het gedicht. De tekst is een vrijplaats voor de ademhaling. De tekst is spraak. Voorlezen: de woorden in de tekst letterlijk een stem geven. En sommige stemmen zijn me dierbaar: die van Artaud bijvoorbeeld of Luca.)


4.


Ik heb blijvend veel te danken aan de concepten van de minimalistische poëzie (de dichters rond ‘l'Éphémère’ en de zgn. Poèsie blanche) en heb dat gecombineerd met mijn lectuur van de Franse moralisten (van Montaigne tot Cioran, van La Bruyère tot Perros). Waarom zou ik dat onder stoelen en banken moeten steken? Ik ben in al mijn kwetsbaarheid maar een lichaam. Een lezend, denkend, aanvoelend lichaam. Een lichaam op tast. Eerder schreef ik dat het absolute gedicht op een goede dag aan mij is voorbijgegaan. Floep! En weg was het.Van het absolute gedicht hou ik nog maar fragmentjes, kleine restjes over. Glinsteringen tussen spreken en zwijgen. Ik wil daar allerlei dingen mee gaan uitproberen. Ik werk met wat me overblijft aan gedicht en aan stem. In mijn recentste teksten probeer ik lichtvoetigheid in alle gradaties uit. Ik schrijf niet meer: ik vertaal en ik dans op wat ik heb vertaald. Met heel mijn houterig lijf dans ik. Olson: ‘Poetry is dancing sitting down’. Satire, ironie, bitsigheid. Noem maar op. Alles kan: mijn lichaam geeft me - langs de omweg van het humeur - de richting wel aan. Kreet en clownerieën. Existentieel gemis en vrijmoedigheid. Banaliteit en overmoed. Meligheid en citaat. Verzet en gelatenheid. Melancholie en anarchie (of is dat een tautologie?) Lange tijd dacht ik: ik heb de taal aan mijn lichaam te danken. Maar ik geloof steeds meer het omgekeerde: ik heb mijn lichaam aan de taal te danken. Naast zoveel andere dingen ervaar ik poëzie voor een deel als deconditionering. Dat deel van de poëzie wens ik te koesteren. En ik koester het in mijn leven omdat poëzie hoogstwaarschijnlijk, nee, met zekerheid het leven zelf is.


Uit: Al de onhebbelijkheden van de dichter – Het Zinkend Schip/de Zondvloed – Dendermonde – 2006. (Gewijzigde versie)


Alain Delmotte


Met de rubriek 'PARLAN.DOC' wil Parlando! één Vlaamse dichter een maand lang speciale aandacht schenken. Elke week wordt minstens één bijdrage van hem verwacht.
Het PARLAN.DOC-archief is hiernaast na te gaan. De vorige gast Bart Vonck schoof Alain Delmotte naar voren. Dit is zijn tweede week.

08:28 Gepost door PARLANDO! | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.